ESDOORN, GEWONE

Esdoorn

INHEEMSE SOORTEN

variëteit, zeldzaam tot zeer zeldzaam

gewone esdoorn     ACER PSEUDOPLATANUS érable(fr)

De gewone Esdoorn is inheems in Midden en Zuid Europa. Het hout is bruikbaar voor o.a. kleine voorwerpen, van violen tot lepels, en ook voor fineer. Hoogte tot rond 30 m. Kan erg hard groeien.

Bloemen( wit/groenwit) in hangende trossen tot 12 cm. lang.

Vruchten met vleugels, 2,5 cm, vaak helderrood in de zomer.

In park Zijpendaal bij Arnhem staat een exemplaar van 35m. hoog en een omvang van 680 cm.

De wetenschappelijke naam van de esdoorn “ACER” betekent -scherp-, omdat de Romeinen het hout gebruikten voor het maken van speren.

De gewone esdoorn komt als sierboom veel voor. Er zijn vele variëteiten, die vooral in bladkleur verschillen. Esdoornhout is als het goed droog is stabiel en buigzaam. het is geschikt voor allerlei draaiwerk, gereedschap, golfclubs, meubelen en vloeren.

Daarnaast wordt het gebruikt voor speciale onderdelen van muziekinstrumenten, zoals het onderblad van een viool en de hoofdbalk van een klavier.

FLADDERIEP

INHEEMSE SOORTEN

variëteit, zeldzaam tot zeer zeldzaam

steel- of fladder-iep ULMUS orme(fr)

De Steel-iep ULMUS LAEVIS is inheems in Europa. Hoogte tot 20m.

Bloemen (wit)ontluikend in maart, op ongewoon lange stelen, waardoor ze in de wind trillen. Vruchten ( groen, plat) gevormd in mei, ongeveer 1,2 cm. lang met witte haren rond de randen.

Iepehout is van hoge kwaliteit en heeft vaak een fraai gevlekte tekening. Omdat iepehout niet gemakkelijk verrot is het geschikt voor gebruik in en bij water: bootkielen en meerpalen. Iepebast werd verwerkt tot touw. De bast wordt voor medische doeleinden gebruikt. Het loof werd aan het vee gevoerd.

Omdat de fladderiep bijna niet gevoelig is voor de iepenziekte zullen er over een tijdje alleen van deze soort monumentale bomen in Nederland te vinden zijn.

HET IS NIET ALTIJD EEN JASMIJN, WAT WE JASMIJN NOEMEN.

Geurende bloemen aan struiken van elders.

ZOMERJASMIJN of ECHTE JASMIJN

“BRUIDSTRANEN” werden traditioneel ook in een bruidsboeket verwerkt

Jasminum officinale , gewone jasmijn of gewone witte jasmijn of zomerjasmijn is een klimplant met sterk geurende witte bloemen. Vroeger werd de plant hier ook Bruidstranen genoemd. Het hoort bij de olijvenfamilie. De kronkelend groeiende plant komt van oorsprong uit Noord-Iran, Afghanistan, de Kaukasus en Himalaya, Pakistan, India, Nepal en West-China. De Zomerjasmijn bloeit hier in de zomer tot in september met kleine stervormige , sterk geurende witte bloemetjes in trosjes van maximaal 5 stuks. Daarna vormen zich kleine zwarte besjes.  De plant is hier eigenlijk niet echt winterhard. Daarom hoorde het vroeger tot de klassieke kamerplanten.

De bloemetjes zijn eetbaar, maar worden bij sterke verhitting bitter. Dus worden vooral rauw gebruikt in salades, desserts en op taarten. En als geurende garnituur bij hartige gerechten. Als thee worden ze overgoten met water dat net van de kook af is en geeft dat een thee met een honingachtige smaak. Vroeger vaak medisch voorgeschreven bij depressie. Het werkt zeker ontspannend. In China worden gedroogde jasmijnbloemblaadjes aan thee toegevoegd, om die geuriger te maken.

Jasmijn thee van Simon Levelt

De Gewone Jasmijn bevat in de jonge scheuten en knopen Jasmijn olie. Dit is een Etherische olie, die 65% Benzylacetaat, 15% Linalolie,7,5 % Linalacetaat, 6% Benzylolkohol, 3 % Indol en circa 0,5% Antranilzuur-methylester bevat. Het wordt als geurstof voor onder ander parfum gebruikt.

Tekening Echte Jasmijn

WINTERJASMIJN

Bloeiende winterjasmijn

De Naaktbloeiende Jasmijn of Winterjasmijn = Jasminum Nudiflorum is vaak een gevel-bedekkende struik met licht groene takjes die als het niet vriest in de winter overdekt is met kleine gele bloempjes. Deze plant komt van oorsprong uit China. De winterjasmijn moet wel beschut van de wind gepoot te worden. Om hem in model te houden snoeien velen deze plant elk voorjaar na de winterbloei in, waarbij vaak de plant tot maar drie uitlopers wordt teruggesnoeid. Tegen een muur is de plant met een raamwerk goed te leiden. Door bijen wordt de plant eigenlijk nooit bezocht.

BOERENJASMIJN

BOERENJASMIJN bloeiend in trosjes geuerende witte bloemen

De Geurende of Boerenjasmijn = Philadelphus Coronarius hoort niet bij dezelfde familie. Dit is een struik tot 300 cm hoog met sterk geurende witte bloemen in mei/juni. Van de Philadelphus zijn vele hybride geteeld, die men hier in vele tuinen aantreft. In Duitsland heet deze plant Valse Jasmijn, waarvan de bloemen voor een homeopathisch middel wordt gebruikt. De bloemen van de boerenjasmijn zijn giftig voor katten. Maar voor bijen, wilde bijen en hommels is het een ideale drachtplant.

Het geslacht Philadelphus omvat in totaal ruim twintig zomergroene struiken. Ze komen in rotsachtige bergregio’s van Oost-Europa tot in de Himalaya, in Oost-Azië. Maar er groeien ook soorten in Amerika. Ze horen tot de familie van de hortensia’s (hydrangeaceae). De boerenjasmijn groeit oorspronkelijk in de Kaukasus en in Zuidoost-Europa.

BOERENJASMIJN

De boerenjasmijn groeit binnen enkele jaren uit tot een ongeveer 3 meter hoge en net zo brede struik. Hoe ouder de boerenjasmijn wordt, hoe breder deze wordt. De lichtbruine tot grijze-groene takken buigen ver naar de zijkant door. De matgroene bladeren zijn eivormig, tot 10 cm lang en hebben een gezaagde rand. Aan de takken zitten ze in paren tegen over elkaar. De herfstkleur is geel. De plant bloeit in mei met sterk geurende trossen vol witte bloemen. Deze zitten aan het einde van de takken bij elkaar. Kenmerkend zijn 4 witte kroonbladeren, markante stuifmeeldraden en de sterke geur, die op de jasmijn lijkt. Door de dag heen wordt de geur steeds sterker.

KAMPERFOELIE

HET RIJK VAN DE KAMPERFOELIE

Even ten oosten van Nijmegen begint een bosgebied dat vroeger zich tot bijna het huidige Roergebied uitstrekte. Het huidige Reichswald of beter gezegd Rijkswoud is slechts een klein gedeelte dat nu nog rest van het machtige koningsdomein dat zich in de Karolingische tijd uitstrekte van voor Xanten tot Nijmegen. De hogere gedeelten heten nu nog Hochwald, terwijl het deel tussen Wyler en Groesbeek de naam Nederrijkswoud draagt. In de tiende eeuw heette dit gebied het Ketele-woud. De bewoners van de dorpen rond dit woud hadden het recht om hun vee (ketel = vee in het Indogermaans, vergelijkbaar met het huidige Engelse woord Cattle) in dit bosgebied te weiden. De Duitse keizers hielden rond 1000 na Christus regelmatig jachtpartijen vanuit Nijmegen in dit woud. Later kwam het in het bezit van de graven van Gelder, die het uiteindelijk doorverkochten aan de Kleefse vorsten. Tot de negentiende eeuw blijft het Nederlands de voertaal in deze streek. Vanaf 1828 wordt het onderwijs niet meer in het Nederlands gegeven. Zodat na 1870 de generatie die perfect Nederlands kon spreken en schrijven hier begon uit te sterven.

Zo ontstond een gebied dat wel bij Duitsland hoorde, maar nog steeds niet helemaal Duits is geworden. Een grensgebied vol historie, waar stille wouden ons tot een bezoek verlokken.

Even boven Goch begint bij Asperden het huidige Reichswald. Vanaf de Aspermühle kunnen wij langs de rivier de Niers een pad volgen in de richting van Kranenburg en Nijmegen.

Daar hadden de Romeinen tegen de hellingen naast de Niers een kamp gebouwd. Een kamp voor hulptroepen genaamd Calo. Een veilige plek om een reserve achter de hand te hebben tegen de invallende in de ogen van Rome ongeciviliseerde Germanen.

Volgen wij door dit gebied het ‘dikke monnikendal’, dan komen wij in een bosgebied, waar vroeger monniken een kluizenaarsbestaan zochten. Dat zij hun kluizenaarsverblijf bijna nooit meer verlieten, verbaast ons eigenlijk niet. Zo kwamen wij op onze speurtocht door dit gebied door een bosperceel. Moe van het lopen gingen wij op een rand met gras en varens zitten. Opeens werden wij ons bewust, hoe stil het hier was. Het mos, de varens en de vele kruiden geurden zachtjes, maar hierboven uit werden wij in een zoete geurwolk gevangen. Toen pas vielen ons de kamperfoeliebloemen op. Bijna elke boom was verpakt in kluwens kronkelende takken. Zoveel betoverde stokoude struiken bij elkaar hadden wij nog nooit gezien. De krachten van de vele planten dansten om ons heen. Wij zagen elfen in cirkels luchtig dansen en ook wij werden meegezogen in de klankloze geurmuziek.

Die avond hadden wij in onze kampeerauto een bosje kamperfoelie bloemen staan. Maar als je ons toen de vraag had gesteld of wij geloofden dat elfen bestaan, hadden wij overtuigd ja geantwoord.

Misschien is dat wel de reden, dat wij tot nu toe nooit meer dat bos zijn ingetrokken. 

   

KARDINAALSMUTS

Liefelijkheid en vreugde, plotseling begrip.

Kardinaalsmuts        Evonumus Europaeus        

Spindle(eng)   

Kardinaalsmuts is een inheemse, algemene boom. Groeit vooral in bosranden, houtwallen, heggen en dan vooral op kalkrijke gronden als bijvoorbeeld rivier- en zeeduinen. Kan tot 8 meter hoog worden, vaak in struikvorm. Opvallend is het purperrode herfstblad, maar vooral de (giftige)vruchten, die eerst groen later rood-roze in de vorm van een kardinaalsmuts met later uitpuilende fel oranje zaadrokken.

Hout is hard, gebruikt voor vleespennen en spoelen.

Bes is giftig, werkt zeer laxerend.

KASTANJE, TAMME

Tamme Kastanje

Bomen van elders

Tamme Kastanje      Castanea Sativa

Sweet Chestnut(eng)    Châtaignier(fr)

De tamme kastanje kan in een niet te dicht begroeid bosgebied en in parken of tuinen wel 30 meter hoog worden, met een zware stam met een omtrek van 9 tot 12 meter. Naarmate hij hoger wordt, begint de dikke, grijsbruine bast met zijn diepe groeven in prachtige spiralen om de stam te groeien.

De weeïg-geurende, lichtgele, katjesachtige bloemen komen uit na de bladeren, van juni tot augustus. De vruchten rijpen in één seizoen. De tamme kastanje is inheems in zuid Europa, noord Afrika en klein Azië.